ECLI:NL:CRVB:2019:1910
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens kostendelersnorm zonder buitensporige last
Appellante ontvangt bijstand als alleenstaande en woont met haar meerderjarige gehandicapte zoon en een ouder echtpaar op een adres. Het college heeft de bijstand verlaagd vanaf 1 juli 2015 vanwege de kostendelersnorm, omdat er drie kostendelende medebewoners zijn. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze verlaging ongegrond.
In hoger beroep stelt appellante dat de verlaging een buitensporig zware last vormt volgens artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat zij haar deel van de lasten niet meer kan opbrengen en moest verhuizen. De Raad oordeelt dat appellante dit niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat zij geen concrete gegevens over haar inkomsten en uitgaven heeft overgelegd.
Daarnaast voert appellante aan dat de overgangsperiode tussen de aanzegging en effectuering van de kostendelersnorm te kort was. De Raad verwijst naar het toepasselijke overgangsrecht dat een periode van zes maanden van 1 januari 2015 tot 1 juli 2015 kent en stelt dat deze periode niet vanaf het primaire besluit begint. Ook wijst de Raad op de eigen verantwoordelijkheid van appellante om zich te informeren over de regels.
De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand wegens toepassing van de kostendelersnorm wordt bevestigd omdat geen buitensporige zware last is aangetoond.