ECLI:NL:CRVB:2019:1915
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet melden gezamenlijke huishouding
Appellanten ontvingen bijstand van het college van burgemeester en wethouders van Maastricht. Na onderzoek stelde het college vast dat zij in de periode van 6 oktober 2013 tot en met 31 oktober 2015 een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden, wat leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van €31.911,95.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college voldoende feitelijke grondslag had voor haar besluit, waaronder huisbezoeken, waarnemingen en verklaringen van appellanten. Het hoofdverblijf van appellant werd vastgesteld op het uitkeringsadres waar appellante stond ingeschreven, ondanks dat appellant een kamer huurde op een ander adres.
Appellanten voerden aan dat de verklaring van appellante niet betrouwbaar was en dat zij melding hadden gemaakt van de verblijfssituatie, maar deze gronden werden verworpen. Ook het beroep op dringende financiële redenen voor terugvordering slaagde niet. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Maastricht en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en terugvordering wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding.