Uitspraak
17 4741 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2019.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een adres waar op 7 april 2016 een hennepkwekerij werd aangetroffen. De politie vond 144 planten en verhoorde appellante, die verklaarde rond 15 maart 2016 te zijn vertrokken en niet te weten wie de kwekerij had opgezet.
Het college trok de bijstand in vanaf 17 februari 2016 en vorderde de kosten terug, omdat appellante niet had gemeld dat er een hennepkwekerij in haar woning was. Tevens legde het college een boete op. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep trok appellante het beroep tegen intrekking en terugvordering in, waardoor alleen de boete over de periode 17 februari tot 15 maart 2016 resteerde.
De Raad oordeelde dat appellante als huurder en bewoner van het adres aannemelijk de exploitant van de kwekerij was, en dat zij de meldingsplicht had geschonden. De verklaring van appellante dat zij eerder was vertrokken werd niet geloofd. De boete werd als evenredig beoordeeld, ondanks het betoog over haar kwetsbare toestand, omdat dit niet objectief was onderbouwd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de boete wegens het niet melden van een hennepkwekerij in de bijstandswoning.