ECLI:NL:CRVB:2019:1981
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging einde arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden en recht op faillissementsuitkering
Appellant was sinds februari 2016 werkzaam als administratief medewerker bij een werkgeefster en had vanaf mei 2016 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op 22 augustus 2016 startte appellant een procedure tegen de werkgeefster voor betaling van achterstallig loon, welke werd afgewezen. De werkgeefster werd in februari 2017 failliet verklaard en de curator zegde de arbeidsovereenkomst op met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn. Appellant vroeg daarop een faillissementsuitkering aan bij het Uwv.
Het Uwv kende de uitkering toe voor de periode 1 juni tot en met 7 juni 2016, omdat de arbeidsovereenkomst volgens het vonnis van de kantonrechter op 7 juni 2016 met wederzijds goedvinden was geëindigd. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en concludeerde dat appellant niet had aangetoond dat hij na 7 juni 2016 beschikbaar was voor werk of protesteerde tegen het einde van het dienstverband.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat de arbeidsovereenkomst pas eindigde door de opzegging van de curator in februari 2017. De Raad volgde echter het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat uit e-mailcorrespondentie en betalingen blijkt dat partijen op 7 juni 2016 overeenstemming bereikten over het beëindigen van het dienstverband en de afwikkeling van loon. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de arbeidsovereenkomst is op 7 juni 2016 met wederzijds goedvinden geëindigd.