ECLI:NL:CRVB:2019:2166
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag faillissementsuitkering wegens ontbreken betalingsonmacht Stichting
Appellant trad op 1 januari 2016 in dienst bij de Stichting als secretaris/chauffeur. Hij vroeg het UWV om overname van betalingsverplichtingen wegens betalingsonmacht van de Stichting. Het UWV weigerde dit op grond van een onderzoek waaruit bleek dat de Stichting betalingen bleef verrichten en dat vrijwilligers het vervoer voortzetten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat niet was aangetoond dat de Stichting in een blijvende toestand van betalingsonmacht verkeerde. De ontbinding van de Stichting in mei 2017 wegens gebrek aan baten was onvoldoende om dit te veranderen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt en verwees naar een loonvorderingsprocedure waarbij de kantonrechter het ontslag op staande voet vernietigde en de Stichting tot loonbetaling veroordeelde. Echter, de Stichting betaalde niet en bood geen verhaal.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de Stichting ten tijde van de aanvraag in een blijvende toestand van betalingsonmacht verkeerde. De overgelegde e-mails betroffen een latere periode en gaven geen aanleiding tot heropening van het onderzoek. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag faillissementsuitkering bevestigd.