ECLI:NL:CRVB:2019:22
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening bijstandsuitkering wegens niet gemelde kasstortingen
Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet en een persoonsgebonden budget. In een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand werden elf kasstortingen op zijn bankrekening vastgesteld tussen augustus 2014 en augustus 2015, met een totaalbedrag van €4.745,-. Appellant verklaarde dat sommige stortingen afkomstig waren van spaargeld en verkoop van persoonlijke spullen, maar kon dit niet met objectieve gegevens onderbouwen.
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam besloot de bijstand te herzien en een bedrag van €4.303,79 terug te vorderen, omdat de kasstortingen als inkomsten moesten worden aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat kasstortingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als inkomen moeten worden beschouwd, zeker wanneer zij een terugkerend karakter hebben. Omdat appellant de herkomst van de stortingen niet aannemelijk had gemaakt en de bedragen niet overeenkwamen met opgenomen bedragen, was het college terecht uitgegaan van inkomsten. Het hoger beroep werd verworpen en de terugvordering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de kasstortingen als inkomen moeten worden aangemerkt en wijst het hoger beroep af.