Appellant, voormalig adviseur hypotheek en vermogen, was arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WGA-loonaanvullingsuitkering. Na een medische verslechtering stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid bij besluit van 9 maart 2015 vast op 59,14%. Appellant maakte bezwaar en het UWV herzag dit in 2017 tot 61,82%. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn medische beperkingen en dat het beginsel van equality of arms werd geschonden doordat geen onafhankelijke deskundige werd benoemd. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de medische beperkingen juist waren vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst. Er was geen aanleiding voor benoeming van een deskundige.
Verder oordeelde de Raad dat appellant geen belemmeringen had ondervonden bij het onderbouwen van zijn standpunt en dat het UWV de geselecteerde functies medisch geschikt had geacht. Het hoger beroep werd afgewezen. Wel werd het UWV veroordeeld tot een schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure, terwijl het verzoek om wettelijke rente werd afgewezen.