Appellant was in dienst bij een werkgever die failliet werd verklaard. De curator beëindigde het dienstverband en appellant vroeg het UWV om de betalingsverplichtingen van de werkgever wegens betalingsonmacht over te nemen. Het UWV kende een uitkering toe voor onbetaald gebleven bijdragen aan duurzame inzetbaarheid in het Tijdspaarfonds over de periode van 3 maart 2016 tot en met 26 juni 2016, conform artikel 64, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WW.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat de vergoeding over een periode van een jaar, zoals bedoeld in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW, had moeten plaatsvinden. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het Tijdspaarfonds geen derde is in de zin van artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW. In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, waarbij hij de bijdrage duurzame inzetbaarheid gelijkstelde aan bovenwettelijke vakantiedagen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat noch APG noch het Tijdspaarfonds als derden kunnen worden aangemerkt en dat de cao geen aanknopingspunten biedt voor de door appellant voorgestelde gelijkstelling met bovenwettelijke vakantiedagen. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, waarmee het hoger beroep werd verworpen.