ECLI:NL:CRVB:2019:2331

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juli 2019
Publicatiedatum
16 juli 2019
Zaaknummer
18/3897 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 WWArt. 26a cao Bouw & Infra 2015/2017Art. 36c cao Bouw & Infra 2015/2017Art. 36d cao Bouw & Infra 2015/2017Art. 7:634 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vergoeding onbetaald gebleven bijdrage duurzame inzetbaarheid Tijdspaarfonds

Appellant was in dienst bij een werkgever die failliet werd verklaard. De curator beëindigde het dienstverband en appellant vroeg het UWV om de betalingsverplichtingen van de werkgever wegens betalingsonmacht over te nemen. Het UWV kende een uitkering toe voor onbetaald gebleven bijdragen aan duurzame inzetbaarheid in het Tijdspaarfonds over de periode van 3 maart 2016 tot en met 26 juni 2016, conform artikel 64, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WW.

Appellant maakte bezwaar en stelde dat de vergoeding over een periode van een jaar, zoals bedoeld in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW, had moeten plaatsvinden. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het Tijdspaarfonds geen derde is in de zin van artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW. In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, waarbij hij de bijdrage duurzame inzetbaarheid gelijkstelde aan bovenwettelijke vakantiedagen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat noch APG noch het Tijdspaarfonds als derden kunnen worden aangemerkt en dat de cao geen aanknopingspunten biedt voor de door appellant voorgestelde gelijkstelling met bovenwettelijke vakantiedagen. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, waarmee het hoger beroep werd verworpen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het UWV heeft de vergoeding terecht berekend over de kortere periode volgens artikel 64, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WW.

Uitspraak

18.3897 WW

Datum uitspraak: 4 juli 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
20 juni 2018, 17/4966 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.F. Antes hoger beroep ingesteld.
Mr. S.N. Ketting, advocaat, heeft zich gesteld als opvolgend gemachtigde van appellant.
Het Uwv heeft een (aanvullend) verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2019. Namens appellant is
mr. M.J. Klinkert verschenen, een kantoorgenoot van mr. Ketting. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was werkzaam in dienst van [naam B.V.] B.V. (werkgeefster). Bij vonnis van 31 mei 2016 heeft de rechtbank de werkgeefster in staat van faillissement verklaard. Bij brief van 1 juni 2016 heeft de curator het dienstverband met appellant opgezegd met inachtneming van de kortst mogelijke opzegtermijn. Op 13 juni 2016 heeft appellant het Uwv verzocht om met toepassing van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) de betalingsverplichtingen van de werkgeefster wegens betalingsonmacht over te nemen.
1.2.
Bij besluit van 24 november 2016 heeft het Uwv dit verzoek toegewezen en aan appellant, voor zover hier van belang, een uitkering toegekend betreffende door de werkgeefster onbetaald gelaten bedragen aan duurzame inzetbaarheid in het Tijdspaarfonds over de periode van 3 maart 2016 tot en met 26 juni 2016, zijnde de perioden als bedoeld in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WW. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en daarbij gesteld dat de bedragen overgenomen hadden moeten worden over de periode als bedoeld in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW.
1.3.
Bij besluit van 7 juli 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat het Tijdspaarfonds niet is aan te merken als een derde in de zin van artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW. Volgens het Uwv moet de vergoeding van niet door de werkgeefster gestorte bedragen in het Tijdspaarfonds voor bijdrage duurzame inzetbaarheid worden berekend over de perioden bedoeld in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WW, te weten een perioden van dertien weken vermeerderd met de geldende opzegtermijn en niet over een periode van één jaar.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht de vergoeding van niet door de werkgeefster gestorte bedragen in het Tijdspaarfonds voor de bijdrage duurzame inzetbaarheid heeft berekend over de perioden als bedoeld in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WW. Hiertoe heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 juli 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX1793), overwogen dat noch APG noch het Tijdspaarfonds zijn aan te merken als derden in de zin van artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW. De rechtbank heeft erop gewezen dat APG slechts de rol van administratiekantoor heeft, dat in feite sprake is van een storting op rekening van de werknemer en dat de werknemer over de op zijn Tijdspaarfonds bijgeboekte bedragen ter zake van duurzame inzetbaarheid de vrije beschikking heeft. De rechtbank heeft in de omstandigheid dat de invoering van de bijdrage duurzame inzetbaarheid verband houdt met het deels laten vervallen van de seniorendagen geen aanleiding gezien om anders te oordelen. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat werkgeefsters en werknemers door
cao-afspraken expliciet voor deze constructie hebben gekozen.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat het Uwv de uitkering onjuist heeft vastgesteld. Volgens appellant had het Uwv de onbetaald gebleven bedragen aan de bijdrage duurzame inzetbaarheid over een periode van een jaar en niet over een periode van dertien weken en de maximale opzegtermijn moeten overnemen. Appellant heeft gewezen op het speciale karakter van de bijdrage duurzame inzetbaarheid waaruit volgens hem volgt dat deze deels is bedoeld ter compensatie voor de afschaffing van seniorendagen. Volgens appellant moet deze bijdrage worden gelijkgesteld met bovenwettelijke vakantiedagen, waardoor op grond van artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW overname over een periode van een jaar zou moeten plaatsvinden.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Voor een weergave van de toepasselijke wet- en regelgeving wordt verwezen naar de bijlage bij de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd dat in artikel 26a, tweede lid, aanhef en onder d en e, van de cao Bouw & Infra 2015/2017 (de cao) is bepaald dat om per kalenderjaar te komen tot een vierdaagse werkweek de werknemer van 55 jaar of ouder gebruikt:
d. zijn seniorendagen: dit betreft de tot 1 januari 2016 opgebouwde seniorendagen;
e. zijn extra roostervrije dagen voor oudere werknemers: met ingang van 1 januari 2016 worden extra roostervrije dagen voor oudere werknemers opgebouwd.
4.1.1.
In artikel 36c (Extra roostervrije dagen voor oudere bouwplaatswerknemers met ingang van 1 januari 2016), eerste lid, van de cao is bepaald dat werknemers die op 1 januari 2016
55 jaar of ouder zijn recht hebben op extra roostervrije dagen op grond van onderhavige ‘overgangsregeling extra roostervrije dagen voor oudere werknemers’. Deze dagen zijn géén vakantiedagen in de zin van artikel 7:634 BW Pro.
4.1.2.
In artikel 36d (Extra roostervrije dagen voor oudere uta-werknemers met ingang van
1 januari 2016), eerste lid, van de cao is bepaald dat werknemers die op 1 januari 2016 55 jaar of ouder zijn recht hebben op extra roostervrije dagen op grond van onderhavige ‘overgangsregeling extra roostervrije dagen voor oudere werknemers’. Deze dagen zijn géén
vakantiedagen in de zin van artikel 7:634 BW Pro.
4.2.
Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant te kennen gegeven dat niet (meer) in geschil is dat APG en het Tijdspaarfonds niet zijn aan te merken als derden in de zin van artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW aan wie de werkgeefster uit hoofde van het dienstverband met appellant de onbetaald gebleven bedragen aan de bijdrage duurzame inzetbaarheid in het Tijdspaarfonds is verschuldigd.
4.3.
Daarnaast is ter zitting met partijen vastgesteld dat op grond van de cao per 1 januari 2016 voor bouwplaats- en uta-werknemers van 55 jaar of ouder de seniorendagen in de cao zijn vervangen door extra roostervrije dagen.
4.4.
De gemachtigde van appellant heeft vervolgens het standpunt in hoger beroep aldus toegelicht, dat uit de wijze van totstandkoming en financiering per 1 januari 2016 volgt dat voor bouwplaats- en uta-werknemers van 55 jaar of ouder in de cao twee categorieën extra roostervrije dagen bestaan: één categorie daadwerkelijke extra roostervrije dagen en één categorie extra roostervrije dagen die moet worden gelijkgesteld met bovenwettelijke vakantiedagen. Bij opname door de werknemer moet blijken van welke categorie sprake is. De laatste categorie moet worden gelijkgesteld aan de in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW genoemde bedragen. Dit betoog van appellant slaagt niet. De tekst van de cao biedt geen aanknopingspunt voor de door appellant genoemde gelijkstelling en ook en anderszins, bijvoorbeeld in de uitvoeringspraktijk van de cao, zijn daarvoor geen aanknopingspunten.
4.5.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het Uwv de vergoeding van onbetaald gebleven bedragen aan bijdrage duurzame inzetbaarheid in het Tijdspaarfonds terecht heeft berekend over de perioden in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WW, te weten over de periode van 3 maart 2016 tot en met 26 juni 2016.
5. Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2019.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) R.H. Koopman
IvR