ECLI:NL:CRVB:2019:2425
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenlandbijdrage vanaf datum verdragsgerechtigdheid ondanks latere inschrijving
Appellante woont sinds 18 november 2015 in Italië en ontving uitkeringen op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering en het Pensioenfonds Zorg en Welzijn. Het CAK heeft haar vanaf die datum als verdragsgerechtigde aangemerkt op basis van Verordening (EG) nr. 883/2004, waardoor zij recht heeft op zorg in Italië ten laste van Nederland.
Het CAK stelde de buitenlandbijdrage vast over de periode vanaf 18 november 2015 en verklaarde het bezwaar van appellante tegen deze vaststelling ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit eveneens ongegrond.
In hoger beroep betwist appellante niet dat zij vanaf 18 november 2015 verdragsgerechtigd was, maar stelt dat zij pas vanaf 11 maart 2016 met het E-121 formulier was ingeschreven bij het bevoegde Italiaanse orgaan en dus pas vanaf dat moment gebruik kon maken van haar zorgrecht. Tevens voert zij aan dat de systematiek van de buitenlandbijdrage onduidelijk is.
De Raad oordeelt dat artikel 69, tweede lid, Zvw dwingend bepaalt dat de buitenlandbijdrage verschuldigd is vanaf het moment van verdragsgerechtigdheid. De datum van inschrijving met het E-121 formulier en het al dan niet kunnen effectueren van zorgverstrekkingen zijn niet relevant. De onduidelijkheid over de systematiek doet hieraan niet af. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de buitenlandbijdrage is verschuldigd vanaf 18 november 2015.