ECLI:NL:CRVB:2019:2437
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen intrekking bijstandsuitkering wegens niet tijdig ingediend bezwaar
Appellant ontving bijstand en stond in de BRP ingeschreven op een uitkeringsadres. Het college ontving een detentiesignaal dat appellant sinds september 2015 in preventieve detentie verbleef. Het college trok bij besluit van oktober 2015 de bijstand in en vorderde terugbetaling wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding en inkomsten uit drugshandel. Dit besluit werd naar het uitkeringsadres verzonden.
Appellant maakte bezwaar, maar te laat. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en de rechtbank wees het beroep af. In hoger beroep betoogde appellant dat het besluit niet correct bekend was gemaakt omdat hij in detentie verbleef en dat het college het besluit niet naar het uitkeringsadres had mogen sturen. Ook stelde appellant dat hij niet op de mogelijkheid van een briefadres was gewezen en dat de penitentiaire inrichting nalatig was geweest.
De Raad oordeelde dat het college het besluit terecht naar het in de BRP geregistreerde adres stuurde, omdat appellant zelf verantwoordelijk is voor een juiste adresregistratie. Het feit dat appellant in detentie was en het college daarvan op de hoogte was, maakt dit niet anders. De termijnoverschrijding voor het bezwaar was niet verschoonbaar omdat appellant en de PI geen aangifte van adreswijziging hadden gedaan. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar bevestigd.