ECLI:NL:CRVB:2019:2470
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging looncompensatie wegens onvoldoende medewerking aan re-integratie en afwijzing vervoerskosten declaratie
Appellante had een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg inclusief vervoer en diende declaraties in voor vervoerskosten. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde betaling omdat appellante de declaraties niet voldoende specificeerde en niet voldeed aan verzoeken om aanvullende gegevens.
Daarnaast beëindigde de Svb de verstrekking van looncompensatie aan appellante wegens het niet ondertekend terugsturen van een offerte voor een arbeidskundig onderzoek, een voorwaarde voor looncompensatie en re-integratie van de zieke zorgverlener.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de afwijzing van de vervoerskosten niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen de beëindiging van looncompensatie af. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraken, stellende dat de Svb bevoegd was om aanvullende gegevens te vragen en dat appellante onvoldoende had meegewerkt aan de re-integratie, waardoor de beëindiging van looncompensatie gerechtvaardigd was.
De Raad oordeelde dat de Svb discretionaire bevoegdheid heeft bij het verstrekken van looncompensatie en dat het beleid van de Svb hierbinnen consistent en redelijk werd toegepast. Het beroep van appellante werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van looncompensatie en de afwijzing van vervoerskosten wegens onvoldoende medewerking en specificatie.