ECLI:NL:CRVB:2019:2660
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-gemelde gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf
Appellante ontving bijstand vanaf mei 2013, waarbij zij aangaf te verblijven op een bepaald uitkeringsadres. Na een anonieme melding startte de Sociale Recherche een onderzoek, waarbij bleek dat appellante feitelijk op een ander adres verbleef en een gezamenlijke huishouding voerde met X. Het college trok de bijstand over de periode 2013-2017 in en herzag de bijstand voor een deel van die periode naar een gehuwdennorm, waarna het de kosten terugvorderde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij wel op het uitkeringsadres verbleef en dat de verklaring van X onbetrouwbaar was. De Raad oordeelde dat het zwaartepunt van haar persoonlijk leven in de onderzochte periode op het adres van X lag en dat er sprake was van wederzijdse zorg, wat voldoet aan de wettelijke definitie van gezamenlijke huishouding.
Daarnaast was het waterverbruik op het uitkeringsadres extreem laag, wat de conclusie ondersteunt dat appellante daar niet haar hoofdverblijf had. Appellante kon dit niet aannemelijk weerleggen. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-gemelde gezamenlijke huishouding en het ontbreken van hoofdverblijf op het uitkeringsadres.