ECLI:NL:CRVB:2019:2867
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WW-uitkering wegens verblijf in buitenland en afwijzing kwijtscheldingsverzoeken
Appellante was sinds 23 mei 2011 werkzaam als manager in de kinderopvang en vroeg per 1 december 2013 een WW-uitkering aan. Na controle bleek dat zij vanaf 22 augustus 2014 in Gambia verbleef, wat niet als vakantie werd aangemerkt. Het Uwv stopzette daarop de uitkering en vorderde een bedrag van € 75.949,08 terug.
De rechtbank stelde de intrekking en terugvordering grotendeels terecht vast op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW, omdat appellante haar verblijf in het buitenland niet had gemeld en dus haar inlichtingenplicht had geschonden. De Raad onderschrijft dit oordeel en wijst het verweer van appellante af dat bijzondere omstandigheden toepassing van de uitsluitingsgrond zouden verhinderen.
Ook het argument dat zij tijdens haar verblijf in Gambia beschikbaar was voor de Nederlandse arbeidsmarkt en vrijwilligerswerk verrichtte, leidt niet tot uitzondering op de dwingendrechtelijke bepalingen. Verder zijn er geen dringende redenen om van terugvordering af te zien, ook niet vanwege financiële, sociale of medische omstandigheden. De verzoeken om kwijtschelding en beperking van de invorderingstermijn worden eveneens afgewezen.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep en de beroepen tegen de besluiten van 28 en 29 augustus 2018 ongegrond.
Uitkomst: De intrekking van de WW-uitkering en terugvordering worden bevestigd, evenals de afwijzing van de verzoeken om kwijtschelding en termijnverkorting.