Uitspraak
15.3959 WW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant werkte gedurende een periode in Zwitserland en vroeg daarna een WW-uitkering aan in Nederland. Het UWV wees de uitkering af omdat appellant tijdens zijn laatste dienstverband in Zwitserland woonde en werkte, waardoor hij geen werknemer in de zin van de WW was volgens artikel 3, eerste lid, van de WW.
Appellant voerde aan dat hij in Zwitserland slechts tijdelijk verbleef en dat zijn gewone centrum van belangen in Nederland lag, onder meer vanwege familiebanden, stemrecht, belastingplicht en het onderhouden van sociale contacten. De Raad oordeelde dat appellant geen eigen woonruimte in Nederland had en dat hij in Zwitserland de intentie had om voor onbepaalde tijd te wonen en werken, wat door het aanvragen van een werkloosheidsuitkering in Zwitserland werd bevestigd.
Daarnaast werd beoordeeld of het recht op WW-uitkering kon herleven na beëindiging van het dienstverband. Omdat de periode tussen het einde van het recht en het vervallen van de omstandigheden die tot het einde leidden langer dan zes maanden was, kon het recht niet herleven.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Ook het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op WW-uitkering omdat hij tijdens zijn laatste dienstverband in Zwitserland woonde en werkte en het recht op herleving van de WW-uitkering niet is ontstaan.