ECLI:NL:CRVB:2019:2923
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek WW-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant ontving vanaf 1 juli 2008 een WW-uitkering, die door het UWV per 23 augustus 2010 werd ingetrokken omdat geen sprake was van een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding bij zijn voormalige werkgever. Tevens vorderde het UWV onverschuldigd betaalde uitkeringen terug en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
Appellant verzocht in 2014 om herziening van deze besluiten op grond van nieuwe feiten en omstandigheden, waaronder verklaringen van relaties en collega’s. Het UWV wees dit verzoek af omdat deze verklaringen niet als nieuwe feiten konden worden aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, maar de Raad oordeelde dat de verklaringen eerder konden worden overgelegd en appellant onvoldoende onderbouwing gaf voor het late indienen. De Raad bevestigde dat het UWV terecht het verzoek om herziening heeft afgewezen en dat appellant geen nadeel heeft ondervonden door de procedurele gang van zaken.
De Raad concludeerde dat het verzoek om herziening niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van de besluiten over intrekking, terugvordering en boete WW-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.