ECLI:NL:CRVB:2019:2928
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft zich ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten en verzocht om een WIA-uitkering. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was omdat er geen persoonlijk contact was geweest met de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Tevens stelde zij dat haar beperkingen groter waren dan vastgesteld, onderbouwd met medische berichten en latere vaststelling van volledige arbeidsongeschiktheid.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat het ontbreken van persoonlijk contact niet onzorgvuldig was. De enkele stellingen van appellante en de latere volledige arbeidsongeschiktheid leidden niet tot een andere beoordeling op de datum in geding. De functionele mogelijkhedenlijst (FML) was juist vastgesteld en de functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd waren passend. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht een WIA-uitkering heeft geweigerd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.