ECLI:NL:CRVB:2019:302
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-, ZW- en WIA-uitkering wegens gefingeerd dienstverband
Appellant had een WW-, ZW- en WIA-uitkering ontvangen op grond van een vermeend dienstverband bij een BV. Het UWV stelde na onderzoek vast dat het dienstverband gefingeerd was en dat appellant niet als werknemer verzekerd was. Op basis hiervan werden de uitkeringen ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat geen dienstverband bestond en appellant geen tegenbewijs had geleverd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met zijn bewijsstukken en psychische klachten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV met onderzoeksrapporten en verklaringen voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant niet werkzaam was bij de BV. De Raad vond dat appellant onvoldoende objectief bewijs had geleverd om het tegendeel te bewijzen. Ook was er geen reden om de verklaring van appellant tijdens het verhoor te negeren vanwege psychische klachten.
De Raad bevestigde daarom de intrekking van de uitkeringen en de terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen. Dringende redenen om van terugvordering af te zien waren niet gesteld. De uitspraak van de rechtbank werd bekrachtigd en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de WW-, ZW- en WIA-uitkeringen wegens gefingeerd dienstverband.