ECLI:NL:CRVB:2019:3142
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig automonteur, vroeg een WIA-uitkering aan wegens psychische en fysieke klachten. Na een onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. Appellant maakte bezwaar, dat werd ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende beperkingen had aangenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), gaf het UWV de kans dit te herstellen, waarna vier functies als passend werden vastgesteld.
Appellant kon zich verenigen met de aangepaste FML maar betwistte de geschiktheid van de geselecteerde functies. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen, omdat de functies passend waren en appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. In hoger beroep voerde appellant aan dat de geschiktheid onvoldoende was onderbouwd en dat het selecteren van nieuwe functies in strijd was met het legaliteitsbeginsel.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de vier functies vooraf aan appellant waren aangezegd en dat het selecteren van passende functies later is toegestaan. De geschiktheid van de functies is overtuigend toegelicht, ondanks het ontbreken van een gespreksverslag tussen arbeidsdeskundige en verzekeringsarts. De Raad bevestigt dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dus geen recht heeft op een WIA-uitkering. Er worden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.