Appellant ontving bijstand en weigerde een fulltime functie, waardoor het dagelijks bestuur een maatregel oplegde met een verlaging van 100% van de bijstand voor twee maanden. Appellant stelde zich echter kort na zijn afwijzing weer beschikbaar voor bemiddeling, nog vóór het besluit tot maatregeloplegging.
Het dagelijks bestuur matigde de maatregel later tot een verlaging van een maand, maar de rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat het dagelijks bestuur geen rekening had gehouden met het feit dat appellant al tot inkeer was gekomen voordat de maatregel werd opgelegd.
De Raad stelde vast dat dit een bijzondere omstandigheid is die tot matiging van de maatregel moet leiden. Daarom werd de verlaging van de bijstand gematigd tot 50% gedurende een maand, met terugbetaling over de periode dat de bijstand was beëindigd. Tevens werd het dagelijks bestuur veroordeeld in de proceskosten van appellant.