ECLI:NL:CRVB:2017:3676
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt maatregel verlaging bijstand wegens onvoldoende motivering dringende redenen
Appellant ontvangt sinds 2011 bijstand en werd meerdere malen gesanctioneerd met een verlaging van 100% van zijn bijstand wegens het niet verschijnen op werkervaringsgesprekken en werkervaringsplaatsen. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam legde een maatregel op van drie maanden verlaging met 100% vanwege recidive binnen twaalf maanden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad beoordeelde onder meer of het college de maatregel terecht had opgelegd, of sprake was van recidive zonder dat eerdere maatregel in rechte was vastgesteld, en of het college de maatregel had mogen verrekenen in één keer.
De Raad oordeelde dat het college de maatregel terecht baseerde op eerdere gedragingen, dat recidive ook zonder definitieve rechterlijke vaststelling kan worden aangenomen, en dat het college niet verplicht was de maatregel gespreid te verrekenen. Wel vond de Raad dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom de standaardmaatregel van drie maanden verlaging met 100% ook in dit individuele geval moest worden toegepast, gelet op de ernstige financiële gevolgen voor appellant door stapeling van maatregelen. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen het besluit te heroverwegen met inachtneming van de bijzondere omstandigheden.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot verlaging van de bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van dringende redenen en het college wordt opgedragen het besluit te herzien.