ECLI:NL:CRVB:2019:3293
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening boetebesluit WW-uitkering wegens identiteitsfraude afgewezen behalve boeteverlaging
Appellant ontving vanaf 3 juni 2013 een WW-uitkering, waarbij werd aangenomen dat hij toen werkloos was geworden. Later bleek dat appellant in juni en juli 2013 nog werkte en loon ontving, waarna het UWV de uitkering herzag en terugvorderde wegens niet-melden van werkzaamheden en niet meewerken aan onderzoek. Tevens werd een boete van 100% opgelegd. Appellant stelde dat hij slachtoffer was van identiteitsfraude en vroeg herziening van de besluiten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die tot herziening konden leiden. Het proces-verbaal en de brief van het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude werden niet als nieuwe feiten erkend. In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen en leverde hij aanvullende stukken, maar deze overtuigden de Raad niet.
De Raad onderschreef het toetsingskader van de rechtbank en oordeelde dat het besluit om niet terug te komen van het herzienings- en terugvorderingsbesluit niet evident onredelijk was. Wel achtte de Raad de afwijzing van het verzoek tot herziening van het boetebesluit evident onredelijk en verlaagde de boete naar 50% van het oorspronkelijke bedrag, namelijk € 2.111,03. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vernietigd en het boetebesluit herzien.
Uitkomst: De boete wordt verlaagd naar 50% van het oorspronkelijke bedrag, terwijl het verzoek tot herziening van het herzienings- en terugvorderingsbesluit wordt afgewezen.