Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
[…]
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf april 2015 een IOAW-uitkering, die later werd ingetrokken omdat hij niet had gemeld dat zijn echtgenote een AOV-pensioen uit Curaçao ontving. Het college vorderde de onverschuldigd betaalde uitkering terug en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank vernietigde het boetebesluit deels en legde een lagere boete op, omdat het college onvoldoende bewijs had geleverd over het AOV-pensioen van appellant zelf. In hoger beroep voerde appellant aan dat de terugvordering alleen op het pensioen van zijn echtgenote mocht worden gebaseerd en dat de boete onterecht was vanwege verminderde verwijtbaarheid.
De Raad oordeelt dat de intrekking van de uitkering onherroepelijk is en het college verplicht was tot terugvordering. De boete is terecht opgelegd omdat appellant niet onverwijld en uit eigen beweging het pensioen van zijn echtgenote heeft gemeld. Er is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid of omstandigheden die een waarschuwing rechtvaardigen.
De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de IOAW-uitkering en de opgelegde boete wegens niet tijdig melden van het AOV-pensioen.