Appellant, sinds 1995 werkzaam bij de politie, kreeg op 30 juli 2013 een mondelinge dienstopdracht om te re-integreren bij bureau X. Hoewel hij aanvankelijk weigerde, stemde hij later in en startte de re-integratie op 31 juli 2013. Appellant maakte bezwaar tegen deze dienstopdracht, maar dit bezwaar werd niet binnen de wettelijke termijn van zes weken ingediend.
De korpschef verklaarde het bezwaar daarom niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding zonder verschoonbare reden. De rechtbank bevestigde dit standpunt en verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde onder meer aan dat het verslag van het gesprek van 30 juli 2013 als schriftelijk besluit moest worden aangemerkt en dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege intimidatie en eerdere discriminatie.
De Raad oordeelde dat de mondelinge dienstopdracht een met een besluit gelijkgestelde handeling is, maar dat het verslag van het gesprek niet als schriftelijk besluit kan gelden. Verder was appellant niet onder druk gezet tijdens het gesprek en had hij het verslag lange tijd zonder bezwaar geaccordeerd. Ook de aangevoerde omstandigheden zoals eerdere discriminatie waren niet relevant voor de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.