Appellante ontving bijstand en werd geconfronteerd met intrekking en terugvordering van bijstand over de periode juni tot oktober 2015 vanwege een in haar woning aangetroffen hennepkwekerij. Het college ging uit van twee oogsten en een voorbereidingstijd van vier weken, wat leidde tot een langere intrekkingsperiode.
De rechtbank stelde echter dat onvoldoende inzichtelijk was hoe het aantal oogsten was vastgesteld en beperkte de intrekking tot de periode vanaf 29 juni 2015. Het college herzag zijn standpunt, maar appellante voerde aan dat zij de woning had onderverhuurd en dat de kweekduur korter was.
De Raad oordeelde dat het college ten onrechte van twee oogsten uitging en dat onvoldoende bewijs bestond voor een langere voorbereidingstijd dan twee weken. De intrekking en terugvordering werden daarom beperkt tot de periode vanaf 23 september 2015. Het college moest een nieuwe berekening maken en een nieuw besluit nemen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante.