Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
vermeldingparketnummer) ter zake van het aanwezig hebben van 40 hennepplanten veroordeeld tot
een taakstraf. Veroordeelde is door het hof vrijgesproken van het telen van die
hennepplanten.”
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet. Op 15 februari 2016 trof de politie in haar woning een hennepkwekerij aan met 50 planten, waarna een onderzoek volgde. Het college trok de bijstand over de periode 23 november 2015 tot 14 februari 2016 in en vorderde het bedrag van € 972,70 netto terug, omdat appellante de hennepkwekerij niet had gemeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante dat zij van de kwekerij wist en beriep zich op de onschuldpresumptie, verwijzend naar een vrijspraak in een strafzaak. De Raad oordeelde dat het aantreffen van de kwekerij een weerlegbaar vermoeden van mede-exploitatie rechtvaardigt, dat appellante niet heeft kunnen weerleggen.
De Raad stelde vast dat de kwekerij al langer dan twee weken bestond en dat het college voldoende bewijs had verzameld. Het beroep op de onschuldpresumptie faalde omdat het verband tussen straf- en bestuursrechtelijke procedure onvoldoende was aangetoond en de vrijspraak niet betrof het relevante feit. De intrekking en terugvordering van de bijstand blijven daarom in stand.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens hennepkwekerij worden bevestigd; het beroep op de onschuldpresumptie faalt.