Uitspraak
17 7059 PW, 17/7060 PW, 17/7064 PW
15 september 2017, 17/262 en 17/263 (aangevallen uitspraak 1) en 17/1563
(aangevallen uitspraak 2)
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
te [woonplaats 1] (uitkeringsadres). Ten tijde van de aanvraag heeft appellante bij het college gemeld dat zij een relatie heeft met appellant, dat appellant bij zijn ouders in [woonplaats 2] woont, dat zij appellant uitsluitend in de weekenden ziet en dat appellant ook wel eens bij haar blijft slapen. Bij aanvang van de bijstand van appellante heeft het college geconstateerd dat er betalingsverkeer tussen appellante en appellant plaatsvond. Op
23 november 2015 heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een babyuitzet. Bij die aanvraag heeft appellante gemeld dat zij op 20 april 2016 was uitgerekend.
4 september 2015 tot 14 maart 2016 van het rekeningnummer eindigend op (…)51292. Na onderzoek van deze bankafschriften heeft de handhavingsmedewerker vastgesteld dat over de gehele genoemde periode in totaal 37 maal bedragen zijn bijgeschreven vanaf de rekening van appellant, dat deze bijschrijvingen iedere maand plaatsvinden en dat het totaalbedrag van de bijschrijvingen € 1.498,- is. Verder heeft de handhavingsmedewerker vastgesteld dat in totaal zes maal een bedrag van de rekening van appellante naar de rekening van appellant is overgeschreven en dat appellante ten behoeve van appellant meerdere keren een bedrag van
€ 99,- naar de Nederlandse Spoorwegen heeft overgemaakt. Het college heeft in deze onderzoeksbevindingen aanleiding gezien om appellante uit te nodigen voor een vervolggesprek op 25 juli 2016. Appellante is zonder bericht niet op dat gesprek verschenen.
€ 79,62 aan verstrekte leenbijstand, in totaal € 6.068,06, van appellante terug te vorderen. De bijstand over de periode van 5 mei 2015 tot 1 juli 2016 wordt bruto van appellante teruggevorderd aangezien het bijstand betreft over een reeds afgesloten belastingjaar. Het college heeft aan deze besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet aan het college te melden dat zij met ingang van 5 mei 2015 op het uitkeringsadres een gezamenlijke huishouding voert met appellant. Door deze schending van de inlichtingenverplichting is het recht op bijstand niet vast te stellen.
9 augustus 2016 ongegrond verklaard.
5 mei 2015 tot en met 9 augustus 2016, een gezamenlijke huishouding voerden.
1 juli 2016 geheel overeenkomen met de reisdagen en -tijden volgens het van Translink verkregen overzicht. Het college heeft op basis hiervan terecht geconcludeerd dat de werkplanning en het reisgedrag met de op naam van appellant gestelde OV-chipkaart in grote mate met elkaar overeenkomen.
vijfde lid, van de PW bevoegd tot brutering van de vordering met de door het college afgedragen loonheffing. Het feit dat de terugvordering mede door de duur van het verrichte onderzoek betrekking heeft op een langere periode is inherent aan de langere periode van schending van de inlichtingenverplichting en staat aan de bevoegdheid van het college tot brutering niet in de weg.
BESLISSING
Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2019.