ECLI:NL:CRVB:2019:3966
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete en intrekking bijstand wegens terbeschikkingstelling woning voor drugshandel
Appellante ontvangt sinds 2010 bijstand op grond van de Participatiewet. In april 2016 trof de politie tijdens een doorzoeking in haar woning GHB en amfetamine aan, en stelde vast dat haar bovenbuurman drugs vervaardigde en verhandelde vanuit haar woning. Het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk trok daarop de bijstand van appellante in over de periode januari tot april 2016 en legde haar een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank Noord-Holland vernietigde het boetebesluit deels en stelde de boete lager vast, omdat grove schuld onvoldoende was aangetoond. In hoger beroep betoogde appellante dat zij geen verwijt kon worden gemaakt omdat zij zich niet kon verzetten tegen de activiteiten van haar bovenbuurman en geen inkomsten had genoten.
De Centrale Raad oordeelde echter dat de inlichtingenverplichting objectief is en dat appellante de activiteiten van haar bovenbuurman tijdig had moeten melden, ook als zij geen inkomsten genoot. Het ter beschikking stellen van de woning was een activiteit waarvoor een vergoeding kon worden bedongen en had invloed op het recht op bijstand. De Raad bevestigde daarom de boete en intrekking van de bijstand, en verwierp het hoger beroep van appellante.
Uitkomst: De boete van €1.190,54 en de intrekking van de bijstand worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.