ECLI:NL:CRVB:2019:4102
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging broninhouding bestuursrechtelijke premie zonder rekening te houden met beslagvrije voet
De zaak betreft een hoger beroep van appellante tegen het besluit van het CAK om de bestuursrechtelijke premie van €134,38 per maand via broninhouding op haar uitkering in te houden. De gemeente Vlaardingen voert deze inhouding uit op basis van een opdracht van het CAK.
De rechtbank Rotterdam had reeds geoordeeld dat de broninhouding rechtmatig is en dat het CAK niet verplicht is rekening te houden met de beslagvrije voet bij deze inhouding. De Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) geen grondslag biedt om het CAK te verplichten het bestaansminimum te waarborgen bij de inhouding.
Appellante stelde dat haar bestaansminimum hierdoor niet gegarandeerd wordt, maar de Raad stelt dat het CAK slechts hoeft te toetsen of het inkomen voldoende is om de premie in te houden. De Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat de wetgever op andere wijze heeft voorzien in de bescherming van het bestaansminimum.
De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het bestreden besluit. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De broninhouding van de bestuursrechtelijke premie wordt bevestigd zonder rekening te houden met de beslagvrije voet.