ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2471
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke premie en beslagvrije voet bij broninhouding op AOW-uitkering
Appellant kreeg een bestuursrechtelijke premie opgelegd door het College voor zorgverzekeringen (Cvz) die via broninhouding op zijn AOW-uitkering werd ingehouden. Hierdoor kwam zijn inkomen onder de beslagvrije voet, hetgeen hij betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en Cvz wees het bezwaar niet-ontvankelijk.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard omdat het bezwaar zich richt op de wijze van inning van de premie en niet op de hoogte of verschuldigdheid. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep gegrond.
De Raad stelt dat Cvz niet verplicht is bij broninhouding rekening te houden met de beslagvrije voet, omdat de wetgever dit via andere waarborgen heeft geregeld. De beslagvrije voet is zodanig vastgesteld dat de gerechtigde op een minimumniveau kan beschikken over voldoende middelen, verminderd met reeds verdisconteerde kosten van de ziektekostenverzekering.
De Raad verklaart het bezwaar tegen het besluit van 16 september 2010 ongegrond en veroordeelt Cvz in de proceskosten van appellant. Tevens wordt het betaalde griffierecht vergoed. De uitspraak is gedaan op 27 februari 2013.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de broninhouding van de bestuursrechtelijke premie wordt ongegrond verklaard en het beroep gegrond, waarbij Cvz in de proceskosten wordt veroordeeld.