ECLI:NL:CRVB:2019:4185
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op Wajong-uitkering wegens onvoldoende toegenomen beperkingen
Appellante heeft een Wajong-uitkering aangevraagd, maar het UWV stelde vast dat zij in staat was om meer dan 75% van haar maatmaninkomen te verdienen. Na een herhaalde aanvraag en medische onderzoeken concludeerde het UWV dat er geen sprake was van ernstiger beperkingen dan eerder vastgesteld. Appellante voerde psychische klachten aan, waaronder PTSS en borderline persoonlijkheidsstoornis, maar deze werden niet als relevant voor de beoordeling van haar arbeidsvermogen op het beoordelingsmoment beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en zag geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen, mede gelet op het arrest Korošec van het EHRM. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak. De Raad oordeelde dat het UWV op goede gronden had vastgesteld dat er geen toegenomen beperkingen waren en dat de psychische klachten een andere ziekteoorzaak hadden dan die op haar achttiende verjaardag.
De Raad wees het verzoek om terug te komen op het eerdere besluit en het beroep op de regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid af. Ook werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor benoeming van een deskundige, en het beginsel van equality of arms was niet geschonden. De uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een Wajong-uitkering wegens onvoldoende toegenomen beperkingen.