Uitspraak
18.1729 WW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.054,40.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, woonachtig in België, was voor 1 april 2016 gedeeltelijk werkzaam in Nederland en voor het bedrijf van haar echtgenoot. Na beëindiging van haar dienstverband bij een Nederlands advocatenkantoor, kende het Uwv haar een WW-uitkering toe. Later introk het Uwv deze uitkering met terugwerkende kracht, stellende dat betrokkene volledig werkloos was omdat zij haar werkzaamheden uitsluitend in België zou verrichten.
De rechtbank oordeelde echter dat betrokkene ook na 1 april 2016 werkzaamheden in Nederland verrichtte, onder meer het in ontvangst nemen, sorteren en bezorgen van pakketten, en dat zij daarom recht had op een gedeeltelijke WW-uitkering. Het Uwv stelde in hoger beroep dat de werkzaamheden uitsluitend in België plaatsvonden en dat betrokkene in Nederland volledig werkloos was.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het Uwv onvoldoende feitenonderzoek had verricht en dat betrokkene aannemelijk had gemaakt dat zij regelmatig werkzaamheden in Nederland verrichtte. De Raad volgde de rechtbank in haar oordeel dat betrokkene niet volledig werkloos was in Nederland en bevestigde de uitspraak dat de WW-uitkering ten onrechte was beëindigd, waardoor ook de terugvordering verviel.
De Raad veroordeelde het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene en wees erop dat het aan het Uwv is om aannemelijk te maken dat de voorwaarden voor intrekking van de uitkering zijn vervuld. De uitspraak werd gedaan op 19 december 2019 door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat betrokkene recht had op een gedeeltelijke WW-uitkering en vernietigt het intrekkingsbesluit van het Uwv.