Conclusie
1.Overzicht van de zaak en de conclusie
voorafgaande vraagis in hoeverre de Hoge Raad de oordelen van de CRvB die in cassatie worden bestreden mag toetsen, gelet op de beperkte beoordelingsbevoegdheid van de Hoge Raad in CRvB-zaken. De oordelen betreffen namelijk niet direct de in de cassatiebepalingen genoemde nationale regelgeving over de verzekeringsplicht, maar de Basisverordening en de Toepassingsverordening.
volgens de cassatieklachtde betekenis is van de desbetreffende bepaling (4.13).
tweede cassatiemiddelbetreffende art. 16 Basisverordening Pro kan niet inhoudelijk beoordeeld worden. Gelet op het arrest HR BNB 2021/134 en de strekking van het middel, valt toetsing van de oordelen van de CRvB over dat artikel buiten de beperkte beoordelingsbevoegdheid (4.16). Dat geldt ook voor toetsing van het oordeel over het evenredigheidsbeginsel (4.17). Het
derde cassatiemiddelklaagt erover dat de CRvB bepaalde procedureregels in de Toepassingsverordening verkeerd toepast door te oordelen dat het Unierecht geen gevolgen verbindt aan het verzuim om onverwijld te beslissen. Ik meen dat het enkele feit dat een procedureregel betrekking heeft op de toepassing van de aanwijsregels, nog niet meebrengt dat de toetsing van een oordeel van de CRvB over zo’n procedureregel ook binnen de beperkte beoordelingsbevoegdheid valt (4.22). Ter zake van de klacht over verkeerde toepassing van een procedureregel zal daarom zelfstandig moeten worden getoetst of aan het in 1.4 vermelde criterium is voldaan. In het oordeel van de CRvB ligt besloten het oordeel dat het desbetreffende verzuim de werking van de aanwijsregels niet wijzigt. De beoordeling van een klacht over dat oordeel zou binnen de beperkte beoordelingsbevoegdheid vallen, maar dat oordeel is niet bestreden. Nu belanghebbendes klacht inhoudt dat het verzuim gevolgen zou moeten hebben met toepassing van art. 16 Basisverordening Pro, valt beoordeling van die klacht buiten de beperkte beoordelingsbevoegdheid gelet op het arrest HR BNB 2021/134 (4.23).
eerste cassatiemiddelbetreft het oordeel van de CRvB over de toepassing van art. 14(8) Toepassingsverordening. Dit artikel geeft een invulling van wat een ‘substantieel gedeelte van de werkzaamheden die in loondienst in een lidstaat worden verricht’ betekent voor toepassing van art. 13(1) Basisverordening.
(a)die direct verband houden met het
verrichtenvan werkzaamheden
,(b)die geschikt zijn om een aanwijzing te geven
waarde werkzaamheden worden verricht, en
(c)die geschikt zijn om daaraan
kwantitatieve conclusieste verbinden in termen van relatieve werkzaamheidaanwezigheid in een lidstaat (5.42).
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Beperkte beoordelingsbevoegdheid van de Hoge Raad
nietde (gestelde) schending of verkeerde toepassing van een bepaling betreft ter zake waarvan cassatieberoep openstaat, dan volgt niet steeds een niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep maar in voorkomende gevallen een ongegrondverklaring. In de kern komt het er op neer dat de ontvankelijkheidsdrempel wordt gepasseerd, [11] als het gaat om een geval waarin de klachten in cassatie betrekking hebben op de toepassing door de CRvB van een wet die een cassatiebepaling kent. Als vervolgens blijkt dat de klachten alleen betrekking hebben op andere bepalingen dan die in de cassatiebepaling worden genoemd, dan het is het cassatieberoep ongegrond. [12]
nietin dat doorslaggevend is of de desbetreffende bepaling van internationaal of supranationaal recht, uitgaande van een juiste uitleg ervan, van invloed
isof
kan zijnop de werking van het bij of krachtens art. 6 AOW Pro bepaalde. Dat kan weliswaar de materieelrechtelijk relevante vraag zijn, maar is onvolledig als criterium voor beantwoording van de voorvraag inzake de beoordelingsbevoegdheid. Voorwaarde om te kunnen beoordelen
ofde desbetreffende bepaling van internationaal of supranationaal recht van invloed is of kan zijn op – kort gezegd – de verzekeringsplicht, is immers de bevoegdheid om dat te mogen beoordelen. En dat laatste is het geval. Vergelijk ook het vervolg na de in 4.8 geciteerde vooropstelling in het arrest HR BNB 2014/92:
volgens de cassatieklachtde betekenis is van de desbetreffende bepaling. Bijvoorbeeld: heeft een belanghebbende voor de CRvB betoogd dat een zekere bepaling van internationaal of supranationaal recht in de weg staat aan verzekeringsplicht in Nederland en klaagt belanghebbende in cassatie over de afwijzing van dat betoog door de CRvB, dan valt toetsing van dat oordeel van de CRvB binnen beoordelingsbevoegdheid van de Hoge Raad, onafhankelijk van de juistheid van dat betoog (want dat moet juist beoordeeld worden) en dus ook indien dat betoog evident onjuist is.
bij wijze van uitzonderingin Luxemburg verzekerd is. Het ging dus in dat opzicht ook volgens die belanghebbende niet om een toepassing van rechtsregels die bepalend zijn voor de verzekeringsplicht.
5.Het begrip ‘substantieel gedeelte van de werkzaamheden verrichten’
vervolgensde aangewezen socialezekerheidswetgeving moet worden bepaald aan de hand van de Rvo. Ook als dat wel het geval is, zou namelijk ook de wetgeving van Nederland zijn aangewezen op grond van art. 2(1) Rvo dat van toepassing verklaart de zetelstaat van het exploitant van het schip, i.c. Nederland. Het bij de beoordeling betrekken van de Rvo zou belanghebbende dus niet helpen.
lex loci laboris,is daarbij uitgangspunt (art. 11(3)(a) Basisverordening).
een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht, of
een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verrichtin de lidstaat waar hij woont:
een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht,
een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht.
a substantial part;
une partie substantielle;
eines wesentlichen Teils) is dat het begrip kwantitatief moet worden ingevuld: het gaat om een ‘kwantitatief substantieel deel’ (
a quantitatively substantial part;
une part quantitativement importante;
ein quantitativ erheblichen Teil). De toevoeging “zonder dat het hierbij noodzakelijkerwijs om het grootste deel [27] van deze werkzaamheden hoeft te gaan” is daarbij een nadere verduidelijking, al duidt ook het percentage van 25 er reeds op dat het bij een substantieel deel niet hoeft te gaan om het grootste deel.
medeop grond van
indicatievecriteria;
en/ofde bezoldiging; (Is dat een keuze? En als arbeidstijd en bezoldiging beide in aanmerking worden genomen maar elk tot een ander percentage leiden, [28] wat krijgt dan voorrang c.q. wat is dan het relatieve gewicht?)
in the framework of an overall assessment, is indicative and as telework constitutes a new reality for workers and employers, which has not been considered before, that criterion could be interpreted in a flexible and more adequate way according to the situation concerned which would have to be examined for the following 12 months, during which work is usually performed in the office and in the form of telework.
van zijn arbeidstijdwerkzaamheden in Nederland verricht in de betrokken periode. Dit vindt steun in de voorafgaande rov. 4.7 waarin ingegaan wordt op (uit vaartijden afgeleide) arbeidstijden. Het vindt voorts steun in het feit dat de CRvB voor zijn rechtskader uitgaat van zijn eerdere uitspraak van 28 februari 2019 en dat in die uitspraak wordt aangesloten bij wat de Svb te kennen heeft gegeven, waaronder dat de Svb “[n]aast informatie over het aantal uren dat in Nederland wordt gewerkt kijkt (…) naar de aanknopingspunten van de arbeidsovereenkomst met een lidstaat, zoals (…)” (zie 5.25). Zo begrepen faalt de klacht van belanghebbende (zie vooral de conclusie van repliek) dat de CRvB verzuimt het criterium van arbeidstijd toe te passen.
medede bedoelde beoordeling plaatsvindt). Ik zie geen aanwijzingen dat de ‘indicatie’ niet alleen daarmee verband houdt, maar ook op het element ‘een aandeel van minder dan 25%’ zou zien. Als dat laatste inderdaad niet het geval is, dan betekent dat dat in een geval waarin er geen andere (contra-)indicaties zijn, een aandeel van minder dan 25% voor de criteria ‘arbeidstijd en/of de bezoldiging’ tot de conclusie leidt dat een substantieel gedeelte van de werkzaamheden niet in de betrokken lidstaat wordt verricht. Tot slot, merk ik nog op dat ik de indruk heb dat ook (een deel van) de in 5.30 genoemde literatuur [58] en de feitenrechtspraak [59] ervan uitgaat dat – voor de toepassing van art. 14(8) Toepassingsverordening – met een (kwantitatief) substantieel deel van de werkzaamheden wordt bedoeld 25% of meer van de werkzaamheden (waarvoor dan indicatieve criteria bestaan). Denkbaar lijkt me overigens wel dat er enige ruimte is voor afronding in de zin dat bijv. 24,9% toch als substantieel wordt aangemerkt, maar 22% lijkt me buiten een eventuele afrondingsmarge te vallen.
van zijn arbeidstijdwerkzaamheden in Nederland verricht in de betrokken periode. Aangezien wat betreft het criterium bezoldiging niets (anders) is vastgesteld, is daarmee sprake van een aandeel van minder dan 25% voor het criterium ‘arbeidstijd en/of bezoldiging’. Gelet op art. 14(8) Toepassingsverordening geldt dit als indicatie dat belanghebbende in de betrokken periode niet een substantieel gedeelte van de werkzaamheden in Nederland verricht.
(a)criteria c.q. omstandigheden die
directverband houden met het
verrichten van werkzaamheden. Steun daarvoor is ook te vinden in de indicatieve criteria die in art. 14(8) Verordening worden genoemd voor een werkzaamheid anders dan in loondienst, te weten “de omzet, de arbeidstijd, het aantal verleende diensten en/of het inkomen”. Ik wijs ook op wat het HvJ relevant acht voor de beoordeling óf een persoon werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van twee of meer lidstaten pleegt te verrichten (als bedoeld in 13(1) Basisverordening), namelijk “de duur van de tijdvakken van de werkzaamheden en de aard van het werk zoals die zijn vastgelegd in de contractdocumenten alsook, in voorkomend geval, de daadwerkelijk uitgeoefende werkzaamheden.” [66] Verder moeten
(b)de criteria geschikt zijn om een aanwijzing te geven
waarde werkzaamheden worden verricht. In dat kader is het arrest Partena [67] relevant. Het ging in dat arrest weliswaar om een uitleg van een ander begrip, maar het geeft wel houvast. Het HvJ overwoog (punt 57) dat “het begrip „plaats van uitoefening” van een werkzaamheid, overeenkomstig de primaire betekenis van de gebruikte woorden, [moet] worden opgevat als de aanduiding van de plaats waar de betrokken persoon concreet de aan die werkzaamheid verbonden handelingen verricht.” Tot slot is een aanknopingspunt gelegen in het feit dat een substantieel gedeelte betekent een kwantitatief substantieel deel. Dit is een in art. 14(8) Toepassingsverordening besloten liggende aanwijzing dat
(c)een criterium c.q. omstandigheid geschikt moet zijn om daaraan
kwantitatieve conclusieste verbinden in termen van relatieve werkzaamheidaanwezigheid in een lidstaat. Dit vindt ook steun in de criteria ‘de arbeidstijd en/of bezoldiging’, alsmede in de zojuist genoemde indicatieve criteria voor een werkzaamheid anders dan in loondienst. Voor elk van die criteria geldt dat daaraan cijfermatige conclusies zijn te verbinden. Vergelijk in verband met het voorgaande het voorbeeld in de Praktische gids van de vrachtwagenchauffeur (zie 5.19): het laden en lossen houdt direct verband met de werkzaamheden, het geeft een aanwijzing over de plaats(en) waar concreet de werkzaamheden worden verricht, en er kunnen aan het laden en lossen kwantitatieve gevolgen worden verbonden.
nieteen substantieel gedeelte van de werkzaamheden in Nederland verricht, weegt de CRvB het volgende als contra-indicaties mee om tot het tegenovergestelde oordeel te komen: (i) het schip heeft in 2013 ook 22% en in 2014 24% in Nederland gevaren, (ii) belanghebbende woont in Nederland, (iii) het schip is in Nederland geregistreerd en (iv) de eigenaar en de exploitant van het schip zijn in Nederland gevestigd. Belanghebbende voert hiertegen in wezen aan dat de CRvB irrelevante omstandigheden relevant heeft geacht en door belanghebbende aangevoerde, wel relevante omstandigheden heeft genegeerd. Ik bespreek deze klachten hierna. Ik benadruk daarbij dat die bespreking gebeurt in de context dat hier de arbeidstijd in de woonstaat (Nederland) wel kan worden vastgesteld (zijnde een aandeel van 22%), en dat dit geval zich aldus daarmee onderscheidt van het voorbeeld van de vrachtwagenchauffeur in de Praktijkgids (zie 5.19).
belanghebbende(daadwerkelijk) zijn werkzaamheden verricht en niet waar het schip heeft gevaren vóórdat belanghebbende zijn werkzaamheden op het schip ging verrichten. De in aanmerking genomen omstandigheid zou wellicht nog relevant kunnen zijn in het kader van toepassing van art. 14(10) Toepassingsverordening. Dat artikellid bepaalt dat de betrokken organen voor de vaststelling van de toepasselijke wetgeving rekening houden met de verwachte situatie in de volgende twaalf kalendermaanden. Denkbaar is dat bij de bepaling van de verwachte situatie belang wordt gehecht aan waar het schip eerder heeft gevaren. In dit geval heeft de Svb echter de vaststelling pas gedaan nádat de dienstbetrekking reeds was beëindigd. Dit betekent dat de vaststelling kon gebeuren over een afgebakende periode in verleden, dus zonder rekening te hoeven houden met de verwachte situatie. Nog los van het voorgaande merk ik op dat niet valt in te zien dat de genoemde percentages van 22% en 24% een contra-indicatie opleveren ten opzichte van de indicatie die volgt uit de arbeidstijd, nu ook die percentages lager zijn dan 25%. Dat zou anders kunnen zijn indien – anders dan waarvan ik uitga (zie 5.35) – kwantitatief substantieel niet 25% of meer betekent.
nietin Nederland verricht, de door de CRvB in aanmerking genomen omstandigheden meebrengen dat belanghebbende toch een substantieel gedeelte van de werkzaamheden in Nederland verricht. De in cassatie toetsbare juridische component is of de CRvB de bedoelde omstandigheden had mogen meewegen (en of de CRvB andere omstandigheden ten onrechte niet heeft meegewogen). Beantwoording van die vraag roept de vraag naar het rechtskader op: is er een nader rechtskader en zo ja, wat houdt dat in? Indien het een nationaalrechtelijke kwestie zou betreffen, dan zou het aan de Hoge Raad zijn om te bepalen
ofeen nader rechtskader wordt gegeven en zo ja
op welke wijze(denk aan een omstandighedencatalogus al dan niet in combinatie met een of meer vuistregels en/of een nadere indicatieve gewichtsbepaling van een of meer omstandigheden). Aangezien het echter een met de toepassing verweven uitleg van een Unierechtelijke bepaling betreft, ligt dit op het terrein van het HvJ. Afzien van het stellen van prejudiciële vragen is voor de hoogste rechter alleen mogelijk, voor zover hier van belang, in het geval van een
acte clairof
acte éclairé. [69] Hoewel ik meen dat in art. 14(8) Toepassingsverordening voldoende aanknopingspunten zijn te vinden voor beantwoording van de vraag of de CRvB de door hem in aanmerking genomen omstandigheden had mogen meewegen, is van een
acte clairof
acte éclairégeen sprake en is het daarom naar mij voorkomt aangewezen prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen. Ik merk daarbij nogmaals op dat het ook op het terrein van het HvJ ligt om duidelijk te maken
ofeen nader rechtskader kan worden gegeven.