ECLI:NL:CRVB:2019:4230
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling regularisatieverzoek AOW over 2010 in samenhang met fiscale procedures
Betrokkene verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om een regularisatieovereenkomst te sluiten voor de jaren 2010, 2013 en 2014 met de bevoegde Luxemburgse autoriteiten vanwege premieheffing volksverzekeringen. De Svb weigerde dit verzoek te behandelen zolang er nog fiscale procedures liepen over de jaren 2013 en 2014. De rechtbank vernietigde dit besluit en beval doorzending naar Luxemburg. De Raad oordeelt dat de Svb bevoegd was over 2010 te beslissen en dat de weigering om het verzoek over 2010 te behandelen onredelijk was, omdat betrokkene onnodig lang in onzekerheid werd gelaten.
De Raad bevestigt dat over de periode vanaf 1 mei 2010 het verzoek bij Luxemburg ingediend moet worden, maar benadrukt dat ook de Nederlandse bevoegde autoriteit een discretionaire bevoegdheid heeft om te beslissen over medewerking aan regularisatie. De vaste praktijk van de Svb om geen besluiten te nemen zolang fiscale procedures lopen, acht de Raad niet onredelijk, maar in dit specifieke geval was het wachten op uitspraken over 2013 en 2014 niet gerechtvaardigd voor het jaar 2010.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op proceskosten en griffierecht, verklaart het beroep gegrond voor 2010 en ongegrond voor de overige jaren, en beveelt de Svb een nieuw inhoudelijk besluit te nemen over 2010. Tevens wordt bepaald dat beroep tegen dit nieuwe besluit alleen bij de Raad kan worden ingesteld. De Svb wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor 2010 en de Svb moet een nieuw inhoudelijk besluit nemen; het beroep wordt ongegrond verklaard voor de overige jaren.