ECLI:NL:CRVB:2019:4282
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering nabestaandenuitkering wegens ontbreken ingezetenschap echtgenoot
Appellante verzocht om een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar echtgenoot in 2012. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat de echtgenoot niet verzekerd was voor de ANW op het moment van overlijden. Een herhaalde aanvraag en bezwaar werden eveneens afgewezen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen.
In hoger beroep stelde appellante dat haar echtgenoot wel ingezetene van Nederland was ondanks zijn detentie in Marokko, en dat hij niet de intentie had zich daar te vestigen. De Raad beoordeelde dat de aanvraag een herhaling betrof en dat het bestuursorgaan terecht op grond van artikel 4:6 Awb Pro niet van het eerdere besluit was teruggekomen.
De Raad oordeelde dat de echtgenoot, die sinds 2008 uitgeschreven stond uit de Nederlandse basisregistratie personen en vijf jaar in Marokko verbleef, geen duurzame persoonlijke band meer met Nederland had. Het gedwongen verblijf in Marokko en het bestaan van een tweede gezin daar leidden tot de conclusie dat hij niet als ingezetene kon worden aangemerkt. De enkele stelling van appellante over zijn intentie tot terugkeer was onvoldoende onderbouwd.
Daarom werd de aangevallen uitspraak bevestigd en het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de nabestaandenuitkering omdat de echtgenoot niet als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt.