ECLI:NL:CRVB:2019:626
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking AIO-aanvulling wegens niet gemelde buitenlandse onroerende zaken
Appellant had een AIO-aanvulling ontvangen vanaf 21 april 2015 tot 18 juli 2016. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde dat appellant onroerende zaken in Turkije bezat die niet tijdig waren gemeld, waardoor sprake was van een schending van de inlichtingenverplichting.
Appellant vulde op 11 januari 2017 een formulier in waarin hij meldde eigenaar te zijn van een woning in Turkije, waar hij van 5 juli tot 5 september 2016 verbleef. Op 13 maart 2017 gaf hij nadere details over de waarde en eigendom van de woning en grond in Turkije, waarbij hij verklaarde dat hij hiervoor eigen spaargeld had gebruikt. De Svb stelde dat appellant deze onroerende zaken niet eerder had gemeld, wat een schending van de inlichtingenplicht oplevert.
Appellant voerde aan dat de formulieren verkeerd waren ingevuld door een bewonersvereniging en dat er sprake was van miscommunicatie, maar dit verweer werd niet onderbouwd en verworpen. De Raad oordeelde dat de Svb voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant in de relevante periode onroerende zaken bezat en dat de melding pas na afloop van die periode plaatsvond. Hierdoor was de intrekking van de AIO-aanvulling terecht. Het hoger beroep werd afgewezen en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de AIO-aanvulling blijft gehandhaafd.