ECLI:NL:CRVB:2019:626

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 februari 2019
Publicatiedatum
27 februari 2019
Zaaknummer
18/2656 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking AIO-aanvulling wegens niet gemelde buitenlandse onroerende zaken

Appellant had een AIO-aanvulling ontvangen vanaf 21 april 2015 tot 18 juli 2016. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde dat appellant onroerende zaken in Turkije bezat die niet tijdig waren gemeld, waardoor sprake was van een schending van de inlichtingenverplichting.

Appellant vulde op 11 januari 2017 een formulier in waarin hij meldde eigenaar te zijn van een woning in Turkije, waar hij van 5 juli tot 5 september 2016 verbleef. Op 13 maart 2017 gaf hij nadere details over de waarde en eigendom van de woning en grond in Turkije, waarbij hij verklaarde dat hij hiervoor eigen spaargeld had gebruikt. De Svb stelde dat appellant deze onroerende zaken niet eerder had gemeld, wat een schending van de inlichtingenplicht oplevert.

Appellant voerde aan dat de formulieren verkeerd waren ingevuld door een bewonersvereniging en dat er sprake was van miscommunicatie, maar dit verweer werd niet onderbouwd en verworpen. De Raad oordeelde dat de Svb voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant in de relevante periode onroerende zaken bezat en dat de melding pas na afloop van die periode plaatsvond. Hierdoor was de intrekking van de AIO-aanvulling terecht. Het hoger beroep werd afgewezen en proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de AIO-aanvulling blijft gehandhaafd.

Uitspraak

18.2656 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2018, 17/5534 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 5 februari 2019
Zitting hebben: O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.N.A. Bootsma en E.C.G. Okhuizen als leden.
Griffier: L. Hagendijk
Namens appellant is mr. F. Özer verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het geschil tussen partijen is beperkt tot beantwoording van de vraag of er voldoende feitelijke grondslag is voor het vaststellen van een schending van de inlichtingverplichting voor wat betreft vermogen in het buitenland en daarmee voor de intrekking van de
AIO-aanvulling over de periode 21 april 2015, de datum van aanvang van de AIO-aanvulling, tot en met 17 juli 2016, de dag voor de beëindiging daarvan (te beoordelen periode). De bewijslast rust op de Svb.
Appellant heeft op het door hem op 11 januari 2017 ingevulde formulier Verblijf buiten Nederland vermeld dat hij eigenaar is van een woning in Turkije op het adres [adres] in Turkije, waar hij in de periode van 5 juli 2016 tot en met 5 september 2016 heeft verbleven. Op een door hem op 13 maart 2017 ingevuld formulier Onderzoek vermogen Buiten Nederland heeft hij vermeld dat hij een woning en grond bezit, dat hij daarvan eigenaar is, dat het op zijn naam staat, dat de waarde van deze onroerende zaken samen 150.000 Turkse Lira (TL), en elk van beide 75.000 TL bedraagt, en dat hij hiervoor zijn eigen spaargeld heeft gebruikt. Dat appellant daarmee en met dat bedrag zijn Nederlandse huurwoning heeft bedoeld, is niet aannemelijk, mede omdat de waarden in Turkse Lira zijn opgegeven en de woning in Nederland niet zijn eigendom is. Aangevoerd is ook dat de bewonersvereniging de formulieren verkeerd heeft ingevuld en dat daarom niet van de daarin opgenomen gegevens kan worden uitgegaan. Er zou sprake zijn van miscommunicatie. Deze beroepsgrond is niet onderbouwd en slaagt daarom niet. De Svb heeft met deze twee schriftelijke verklaringen aannemelijk dat appellant in de te beoordelen periode onroerende zaken bezat.
Appellant heeft niet eerder dan op 11 januari 2017 melding gedaan van de onroerende zaken. Dat betekent dat de Svb aannemelijk gemaakt heeft dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.
Het hoger beroep slaagt daarom niet.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) L. Hagendijk (getekend) O.L.H.W.I. Korte

IJ