ECLI:NL:CRVB:2019:661
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening boetebesluit sociale zekerheid wegens evident onredelijkheid en ontbreken overgangsrecht
De zaak betreft een hoger beroep tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om een verzoek tot herziening van een boetebesluit af te wijzen. Het boetebesluit was opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting over een periode in 2013 en betrof een boete van € 4.162,90. De Raad had eerder een tussenuitspraak gedaan waarin werd geoordeeld dat het beleid van het Uwv om nooit terug te komen van rechtens onaantastbare boetebesluiten onaanvaardbaar is.
De Raad analyseert het zwaardere sanctieregime ingevoerd per 1 januari 2013, dat hogere boetes mogelijk maakte dan de strafrechter maximaal kon opleggen, en constateert dat het ontbreken van overgangsrecht voor in rechte vaststaande boetebesluiten leidt tot fundamentele onrechtmatigheden en schending van het lex mitior-beginsel. De Raad formuleert vuistregels voor herzieningsverzoeken, waarbij onder meer wordt gekeken naar de mate van aflossing van de boete en de maximale strafrechtelijke boete.
In deze zaak had appellant op het moment van het herzieningsverzoek meer dan 50% van de boete afgelost, maar minder dan het strafrechtelijke maximum. De Raad acht de afwijzing van het verzoek evident onredelijk, vernietigt het bestreden besluit en stelt de boete vast op € 2.084,54. Tevens worden de proceskosten aan appellant toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het boetebesluit wordt toegewezen en de boete wordt vastgesteld op € 2.084,54.