ECLI:NL:CRVB:2019:783
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling dagloon bij meerdere werkgevers in WW-uitkering
Appellante was werkzaam bij twee werkgevers gedurende de referteperiode en stelde dat het dagloon onjuist was vastgesteld doordat het loon bij de tweede werkgever over vijf maanden werd verdeeld over 261 dagen, wat volgens haar de verzekeringsgedachte van de WW schendt.
Het Uwv had het dagloon vastgesteld op basis van het totaal genoten loon bij beide werkgevers gedeeld door 261, conform artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit. De rechtbank had dit besluit bevestigd en wees appellante’s beroep op rechtspraak die een tweedeling zou rechtvaardigen af.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de wet- en regelgeving, waaronder artikel 1b WW en het Dagloonbesluit, geen uitzondering maken voor situaties waarin gedurende de gehele referteperiode loon is genoten bij meerdere werkgevers. Het beroep op eerdere uitspraken waarbij geen loon werd genoten in bepaalde perioden, faalt hier omdat dat niet het geval is.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het dagloon correct is vastgesteld door het totale loon over de referteperiode te delen door 261 dagen.