Eiser heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV waarin zijn dagloon voor de WW-uitkering werd vastgesteld op basis van het Dagloonbesluit 2015. Verweerder had het loon van eiser gedeeld door 261 dagen, ook al had eiser niet gedurende het gehele jaar loon genoten. Dit leidde tot een lager dagloon dan voorheen.
De rechtbank oordeelt dat het Dagloonbesluit 2015 met toepassing van artikel 5, eerste lid, het loondervingsbeginsel zoals neergelegd in artikel 1b, eerste lid, van de WW schendt. Dit beginsel vereist dat het dagloon een redelijke weerspiegeling is van het welvaartsniveau bij het intreden van het verzekerde risico. Door het loon over 261 dagen te verdelen terwijl eiser slechts 4,5 maand loon genoot, wordt dit beginsel verlaten.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de Algemene wet bestuursrecht en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De minister erkent inmiddels de onbedoelde nadelige effecten en werkt aan een reparatie van het Dagloonbesluit.