ECLI:NL:CRVB:2019:793
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid door ziekte
Appellant werkte als oproepkracht tot 2 september 2016 en ontving daarna een Ziektewet-uitkering die op 11 april 2017 werd beëindigd met ingang van 10 april 2017. Op 1 mei 2017 vroeg appellant een WW-uitkering aan, maar het UWV weigerde deze omdat appellant aangaf ziek te zijn en daardoor niet beschikbaar voor arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zijn ziekte kortstondig was en dat hij niet beschikbaar was.
In hoger beroep herhaalde appellant dat hij slechts kortdurend ziek was en wel arbeidsgeschikt volgens de bedrijfsarts. Hij stelde dat een taalbarrière zijn mededeling op het aanvraagformulier beïnvloedde en dat het niet voldoen aan de sollicitatieplicht niet tot ontzegging van de WW-uitkering mocht leiden. De Raad oordeelde dat beschikbaarheid voor arbeid een feitelijke toestand betreft zonder normering van duur of aard van arbeid, en dat appellant feitelijk niet beschikbaar was vanwege ziekte en het ontbreken van sollicitaties.
De Raad verwierp ook het beroep op een taalbarrière omdat appellant tijdens het proces aangaf dat hij de Nederlandse taal voldoende beheerst. Het standpunt dat het niet solliciteren niet tot ontzegging mag leiden werd verworpen omdat het UWV sollicitatiegedrag mag meewegen bij de beoordeling van beschikbaarheid. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid door ziekte vanaf 10 april 2017.