Uitspraak
18.3994 WW
OVERWEGINGEN
€ 769,56 heeft verdiend.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf oktober 2016 een WW-uitkering gebaseerd op een vastgesteld dag- en maandloon. In april 2017 werkte appellant bij een werkgever en gaf een lager inkomen door dan door de werkgever aan de Belastingdienst was opgegeven.
Het UWV stelde vast dat appellant in april 2017 meer had verdiend dan hij zelf had opgegeven en herzag de WW-uitkering per 1 april 2017. Het verschil van €119,- werd als onverschuldigd betaalde uitkering teruggevorderd. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard door het UWV.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV mocht uitgaan van de door de werkgever opgegeven inkomsten, ook als een deel van het loon later werd uitbetaald. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV het loon aan de verkeerde maand had toegerekend.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat het UWV terecht de WW-uitkering had herzien en het bedrag terugvorderde. Het hoger beroep werd verworpen en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de WW-uitkering wegens hogere door de werkgever opgegeven inkomsten.