ECLI:NL:CRVB:2022:770
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WW-uitkering april 2019 door UWV
Appellant ontving vanaf november 2018 een WW-uitkering en werkte van november 2018 tot april 2019 bij een gemeente. In mei 2019 gaf appellant aan dat zijn inkomsten over april 2019 € 2.971,84 bedroegen, maar het UWV ontdekte dat de ex-werkgever aan de Belastingdienst een hoger bedrag van € 3.733,67 had opgegeven. Het UWV besloot daarom de uitkering te herzien en € 493,80 terug te vorderen.
Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV. De rechtbank Rotterdam oordeelde eveneens dat het UWV terecht uitging van de loonopgave van de werkgever aan de Belastingdienst, mede omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat deze gegevens onjuist waren. De door appellant overgelegde salarisstrook week af, maar de ex-werkgever was niet bereid de loonopgave te corrigeren.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, stellende dat het UWV onjuiste gegevens gebruikte en het besluit in strijd was met de beginselen van behoorlijk bestuur. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat het UWV terecht de herziening en terugvordering toepaste, mede op grond van artikel 4:1, derde lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van de WW-uitkering door het UWV bevestigd.