ECLI:NL:CRVB:2019:930
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vermindering boete wegens schending inlichtingenplicht bij toeslag WAO-uitkering
Appellant ontvangt sinds 2001 een WAO-uitkering en vroeg in 2012 een toeslag aan vanwege wijziging van zijn leefvorm. Hij verklaarde geen inkomsten te hebben uit verhuur, terwijl uit onderzoek bleek dat hij wel inkomsten uit verhuur van kamers en bedrijfsruimtes genoot. Het Uwv beëindigde de toeslag en vorderde het te veel ontvangen bedrag terug, en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de boete evenredig was. Appellant stelde in hoger beroep dat hij redelijkerwijs mocht aannemen dat inkomsten uit verhuur niet relevant waren en dat de boete en terugvordering onredelijk waren gezien de eenmalige fout en het late ontdekken door het Uwv.
De Raad oordeelde dat het Uwv terecht tot terugvordering overging en dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden. Wel werd de boete verlaagd tot €5.200,- op basis van eerdere jurisprudentie en wettelijke maxima. De Raad vernietigde het besluit over de boete en legde de verlaagde boete op, bevestigde verder de eerdere uitspraak en veroordeelde het Uwv in de proceskosten.
Uitkomst: Boete wegens schending inlichtingenplicht verlaagd tot €5.200,-; overige besluiten bevestigd.