Appellante is sinds 1 oktober 2015 als rechter in opleiding werkzaam geweest en heeft verschillende leerwerkomgevingen en stages doorlopen. Tijdens haar opleiding zijn meerdere evaluaties opgesteld waarin haar functioneren werd beoordeeld. Hoewel zij op inhoudelijke competenties voldeed, scoorde zij onvoldoende op samenwerking en communicatie, wat voor het rechterlijk werk essentieel wordt geacht.
De beoordelingscommissie stelde op 1 december 2017 een eindbeoordeling op met het judicium 'onvoldoende', mede omdat de cesuur van 70% niet werd gehaald en er sprake was van zwakke scores op samenwerkingscriteria. Het bestuur besloot op 23 januari 2018 deze eindbeoordeling te handhaven en de opleiding te beëindigen met ontslag per 23 april 2018. Appellante voerde aan dat het bestuur had moeten profiteren van de beoordelingsmarge van 5% en het judicium op 'voldoende' had moeten stellen.
De Raad oordeelt dat het bestuur in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen gebruik te maken van deze beoordelingsmarge, gelet op de terugkerende problemen in samenwerking en communicatie, ook onder druk. Daarnaast is vastgesteld dat geen objectieve omstandigheden aanwezig waren die verlenging van de opleiding rechtvaardigen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het ontslag per 23 april 2018 als juist bevestigd.