ECLI:NL:CRVB:2020:1006
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering schadevergoeding na toekenning WIA-uitkering
De zaak betreft het hoger beroep tegen de afwijzing van een verzoek tot schadevergoeding door appellant, die aanvankelijk onterecht was geweigerd een WIA-uitkering te ontvangen. Het UWV had de uitkering uiteindelijk toegekend met terugwerkende kracht en de wettelijke rente vergoed.
Appellant vorderde vergoeding van materiële schade vanwege vermeende onjuiste berekening van de wettelijke rente en immateriële schade wegens psychisch leed door de langdurige procedure. De rechtbank had het verzoek afgewezen en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad oordeelde dat de materiële schade reeds voldoende was gecompenseerd met de wettelijke rente, waarbij rekening was gehouden met verrekeningen met andere uitkeringen. Voor immateriële schade was onvoldoende sprake van een aantasting van de persoon in de zin van artikel 6:106 BW Pro, ondanks erkende stress en vertraging in behandeling.
De uitspraak bevestigt dat niet elke procedurele vertraging en stress leidt tot vergoeding van immateriële schade en benadrukt de strikte criteria voor toekenning daarvan. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding na onrechtmatige weigering van een WIA-uitkering.