Betrokkene ontving vanaf 1 april 2011 een ongehuwdenpensioen op grond van de AOW. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag dit pensioen op grond van een vermeende gezamenlijke huishouding met A, waarbij ook wederzijdse zorg werd betrokken. Diverse formulieren, een huisbezoek en correspondentie vormden de basis voor het besluit tot herziening van het pensioen naar gehuwdenpensioen voor de periode van april 2011 tot november 2012.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het herzieningsbesluit, stellende dat de Svb onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van wederzijdse zorg en gezamenlijke huishouding in de latere periodes. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de bewijslast voor de Svb ligt en dat de Svb onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat betrokkene en A vanaf 27 december 2012 tot en met 3 februari 2017 een gezamenlijke huishouding voerden.
De Raad concludeerde dat in de eerste periodes (tot 26 december 2012 en april 2014) wel sprake was van gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg, onder meer vanwege financiële verstrengeling en zorg die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijden. Voor de latere periodes was dit niet aannemelijk gemaakt. Het bestreden besluit werd daarom deels vernietigd en herroepen, waarbij het herzieningsbesluit voor de latere periodes werd teruggedraaid.