ECLI:NL:CRVB:2017:4392
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens geen hoofdverblijf op uitkeringsadres met aangepaste boete
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en huurde een kamer op het uitkeringsadres waar meerdere personen stonden ingeschreven. Na fraudeonderzoek bleek dat appellant niet daadwerkelijk zijn hoofdverblijf had op dat adres, wat leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 1 december 2014 tot en met 31 december 2014.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Raad dat de onderzoeksbevindingen voldoende zijn om het ontbreken van hoofdverblijf te onderbouwen. Appellant had zijn inlichtingenverplichting geschonden door dit niet te melden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Het college legde een bestuurlijke boete op die naar boven was afgerond op €410,-. De Raad stelt vast dat de afrondingsregel per 1 januari 2017 is vervallen en past de meest gunstige regeling toe, waardoor de boete wordt vastgesteld op €400,58. Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het de boete betreft, het boetebedrag wordt aangepast en het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De boete wordt vastgesteld op €400,58 en de intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd.