ECLI:NL:CRVB:2020:1158
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden en niet tijdig bezwaar
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en verrichtte werkzaamheden als assistent-kapster bij het bedrijf van haar zoon zonder dit te melden aan het college. Het college trok de bijstand in en vorderde terugbetaling wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het besluit van intrekking niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en wees het beroep tegen de intrekking af.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkte beheersing van de Nederlandse taal en het helpen van haar zoon met zijn onderneming geen reden waren voor het niet tijdig indienen van bezwaar en dat de werkzaamheden niet op geld waardeerbaar waren. De Raad oordeelde dat slechte taalbeheersing onvoldoende is om de termijnoverschrijding te rechtvaardigen en dat het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden, ook als hulp aan een familielid, van belang is voor het recht op bijstand.
Verder concludeerde de Raad dat appellante onvoldoende verifieerbare gegevens over de omvang en duur van haar werkzaamheden had verstrekt, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk wegens niet tijdig indienen.