ECLI:NL:CRVB:2020:1163
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WIA-uitkering en loonsanctie na psychische arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als verzorgende B, viel in augustus 2014 uit wegens psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. Appellante maakte bezwaar, stellende dat haar beperkingen werden onderschat en dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht.
Een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige beoordeelden de medische situatie en re-integratie-inspanningen zorgvuldig en concludeerden dat appellante in staat was nog ruim 70% van haar maatmaninkomen te verdienen en dat de werkgever voldoende had gedaan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de loonsanctie terecht niet werd opgelegd.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunten, waaronder een ernstige depressie en onjuiste loonberekening. De Raad volgde de rechtbank en het UWV, bevestigde de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de juiste beoordeling van de re-integratie-inspanningen. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak dat appellante geen recht heeft op WIA-uitkering en dat het UWV terecht geen loonsanctie oplegde.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op WIA-uitkering en dat het UWV terecht geen loonsanctie oplegde aan de werkgever.