ECLI:NL:CRVB:2020:1233
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering persoonsgebonden budget bij toepassing Wsnp
Appellante, met een verstandelijke beperking en geïndiceerd voor langdurige zorg, vroeg een persoonsgebonden budget (pgb) aan. Het zorgkantoor weigerde dit op grond van artikel 5.9, aanhef en onder e, van de Regeling langdurige zorg (Rlz), omdat de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) op haar van toepassing was verklaard.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze weigering ongegrond en oordeelde dat het zorgkantoor geen beoordelingsvrijheid had bij de weigering van het pgb in deze situatie. Appellante stelde in hoger beroep dat het risico op misbruik van het pgb bij haar vrijwel nihil was vanwege haar beschermingsbewind en dat de regeling buiten toepassing moest worden gelaten.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en verwierp het beroep van appellante. De Raad stelde dat de weigering in overeenstemming is met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever en dat de beschermingsmaatregelen onvoldoende reden geven om van de regeling af te wijken. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het persoonsgebonden budget vanwege de toepasselijkheid van de Wsnp.