Appellante is sinds 11 juli 2006 arbeidsongeschikt en heeft recht op een loongerelateerde WGA-uitkering vastgesteld op 40,43% arbeidsongeschiktheid met een restverdiencapaciteit van €1.509,02 per maand. De rechtbank had het beroep deels gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten. In hoger beroep betwistte appellante de zorgvuldigheid van het medische onderzoek en de arbeidsdeskundige beoordeling en verzocht om inschakeling van een onafhankelijke deskundige.
De Raad heeft een onafhankelijke verzekeringsarts benoemd die het medisch dossier en aanvullend onderzoek uitvoerde. De deskundige concludeerde dat de beperkingen van appellante adequaat waren weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en dat zij in staat is om passend werk te verrichten zonder urenbeperking. De arbeidsdeskundige heeft op basis van deze FML passende functies geselecteerd, welke medisch passend zijn bevonden.
De Raad volgt de deskundige en oordeelt dat het onderzoek zorgvuldig en consistent is uitgevoerd. De stellingen van appellante over onvoldoende erkenning van evenwichtsstoornissen en vermoeidheidsklachten worden niet gevolgd. De vaststelling van de arbeidsongeschiktheid en restverdiencapaciteit wordt bevestigd. Daarnaast is de redelijke termijn van de procedure met bijna drie jaar overschreden, waardoor de Staat wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van €3.000. Het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht wordt vergoed.